Op deze warme zondagochtend zit ik onder de carport. Mijn ontbijt maakte ik in de kamer van mijn dochter. De borden waste ik af in de badkamer. Voor me staan twee bureaus die ik via Marktplaats op de kop tikte. In mijn ooghoek probeer ik de dixi van de bouwers zo goed mogelijk te negeren.
Het leed dat verbouwen heet.
Normaal ben ik een doener. Maar als alles om je heen op zijn kop staat, blijkt zelfs bedenken wat slim is om te doen ineens lastig. De afgelopen weken is de energie langzaam uit mijn lijf geslopen.
Dan vraagt mijn dochter van zes: “Gaan we nog tomaten plukken in de tuin?”
Ik leg uit dat ik dit jaar geen moestuin heb gepland want met de verbouwing werd het allemaal teveel. We moeten het doen met de bramen en de druiven.
Mijn blik valt op de druivenplant, die inmiddels alle kanten op groeit. Zonder erbij na te denken pak ik de snoeischaar. Even later verdwijnen niet alleen lange ranken, maar ook een flinke hoeveelheid onkruid. Blijkbaar was mijn wilskracht niet verdwenen. Die wachtte gewoon op iets tastbaars.


Ik ben gek op tuinieren. Het geeft me rust om met mijn handen in de aarde te zitten. Er zit iets bijzonders in zien wat er met een beetje liefde en aandacht allemaal groeit. Dan zie ik een plukje onkruid. Precies in de dakgoot van de carport. Eigenlijk een onmogelijke plek. En toch staat het er gezond bij. Slim gekozen. Altijd water binnen handbereik.
Uit een vreemd soort respect laat ik het staan.
Misschien herken ik er iets van mezelf in. Soms voelt het alsof je je terugtrekt naar een plek waar je nét genoeg hebt om overeind te blijven. Niet omdat je daar wilt zijn, maar omdat het op dat moment de beste plek is om te overleven.
En misschien is dat soms ook genoeg.
Als de tijd daar weer is, kunnen we weer groeien.

